Literair supplement - aflevering 33

Het laatste weekoverzicht van de belangrijkste literatuurrecensies- en interviews uit kranten- en weekbladen in Nederland en Vlaanderen van het jaar 2010. In samenwerking met Athenaeum Boekhandel in Amsterdam (periode 25-31 december 2010).

 

Enkel de boekenbijlage van De Morgen behield vorige week de normale vorm. Han Ceelen en Dirk Leyman gingen op bezoek bij Cees Nooteboom, die terugkijkt op het jaar waarin hij zijn beste vrienden Harry Mulisch en Hans Van Mierlo verloor en hem zowel de Gouden Uil als de Konrad Adenauerprijs werden uitgereikt. "Hollands literaire exportproduct par excellence" strooit met cassante anekdotes over Hugo Claus, Harry Mulisch en W.F. Hermans en vindt niet dat de culturele wereld ten onder zal gaan aan de bezuinigingsdrift in Nederland. Nooteboom ziet zich nog niet meteen te stoppen met schrijven en reizen, maar is  nu blijkbaar meer aan het lezen. "Ik vind lezen zo prettig dat ik tegenwoordig vaak geen zin meer heb om leestijd te offeren aan het schrijven. Ik lees nu de grote voorgangers van Proust: Chateaubriand en Saint-Simon. Erg fascinerend."

Marnix Verplancke recenseert Campo Santo, de postuum uitgebrachte essaybundel waarin W.G.Sebald "vanuit een nauwkeurig historisch perspectief op het eerste gezichttotaal verschillende zaken in verband brengt met elkaar."

Met Ga niet weg rondt Willem Van Zadelhoff "een doortimmerde" trilogie af over de modernistische architectuur, aldus Dirk Leyman. Een roman die je op je puntje van je stoel zet, al is het jammer dat Van Zadelhoffs "ideeënrijk proza soms zo afgemeten is dat je er slinks een bloemrijk adjectief wil aan toevoegen". En Dirk Leyman las ook Quadriga. Een eindspel de roman waarmee F. Springer, op basis van  zijn diplomatieke ervaringen tijdens de laatste jaren van de DDR, een "subtiel orgelpunt op zijn oeuvre heeft geplaatst". Verder besteedt Marnix Verplancke nog kort aandacht aan De klap, de tragikomische roman van Christos Tsiolkas en aan Portret van een verslaafde als een jongeman waarin Bill Clegg zijn jaren als crackverslaafde beschrijft.

"Dit is grote kunst; dat een debutant van 36 dit op papier kan zetten, is niet minder dan wonderbaarlijk" het oordeel van Marnix Verplancke over De onvolmaakten van Tom Rachman. Tot slot vertelt Hanco Kolk aan Geert de Weyer hoe hij Van Istanbul naar Bagdad, zijn graphic novel over de roadtrip van Arnon Grunberg aanpakte en uitwerkte.

 

De Standaard verliet vorige week de geijkte paden. Schrijvers mochten "schoon schip" maken met het voorbije jaar, met onder Joke van Leeuwen, Benno Barnard en Joost Vandecasteele. Knack had geen literatuur voorbije week, wegens eindejaarsoverzicht.

 

In de laatste HP|De Tijd van 2010: Frank van Dijl over de beste romans van 2010 (die van Grunberg, Thomése, Van Dis, Margriet de Moor - foto - en Roth), al beperkt hij zich in zijn beschrijving tot de Nederlandse. Hij prijst de "ongekende diepte" van De schilder en het meisje, de "mooie, beheerste zinnen die een genot zijn om te lezen" in Tikkop, de "adembenemende leeservaring" die De weldoener oplevert en het "vermogen om diep in de menselijke ziel door te dringen" dat blijkt uit Huid en haar. Bart Jan Spruyt, Emma Brunt en Beatrijs Ritsema, over de beste non-fictie van 2010: Alain Finkielkrauts Een intelligent hart, Ritsema's Het grote etiquetteboek en Els Kloeks Vrouw des huizes ("indrukwekkende cultuurgeschiedenis").

 

Lyrisch is Dirk-Jan Arensman over David Vanns Legende van een zelfmoord, en zijn recensie opent dan ook de boekenpagina's van Het Parool: "Dit is, genadeloos en liefdevol, wraakzuchtig en teder, een modern Amerikaans meesterwerk." Arie Storm vervolgt met Boudewijn Smids Een goede zoon, "helemaal Hollands", en: "Tot het einde toe blijft [de roman] soepel lezen, en hij wordt nergens al te gecompliceerd, ondanks al die rare types erin. Wat dat is wat Een goede zoon is, een lekker boek, een beetje ouderwets." Verder: Jasper Henderson over Stephen Vizinczey's Loflied op een rijpe vrouw ("niet alleen een geestige en ontroerende seksuele coming of age-novel, maar ook het verhaal van een eeuwig rusteloze, opgejaagde ziel op zoek naar verlossing") en Victor Schiferli over Lieke Marsmans debuutbundel Wat ik mezelf graag voorhoud ("Dat lijken me nu al een beetje klassieke regels van een dichteres van wie we nog veel zullen horen.").

 

In deze laatste boekenbijlage van het jaar gaat NRC Handelsblad in op bijzondere ramsjtitels. Atte Jongstra beschrijft zijn evolutie van ramsjbeschrijver tot ramsjschrijver en Bas Heijne prijst Gides Niet als de anderen en "zijn heldere, nietsontziende blik, zijn vermogen om consequent tegen zichzelf in te denken, alles steeds opnieuw te bevragen". Tweemaal genomineerd voor de Prix Goncourt, maar ook vijf keer verramsjt is Fouad Laroui (foto). Birgit Donker spreekt hem, over identiteit ("Ik ben een Ne-der-land-se schrijver, die toevallig in het Frans schrijft." Want: "Als je met een taal wilt spelen, dan moet dat toch je moedertaal zijn."), de islam en zijn leven. In een paar grote artikelen wordt daarnaast het literaire jaar 2010 doorgenomen. Arjen Fortuin schrijft over de zegegang van non-fictie, met David Van Reybroucks Congo voorop, onverwacht: "Alles aan Congo schreeuwde: Ik Zal Niet Verkocht Worden. Behalve misschien de inhoud." Maar: "De AKO-jury had gelijk, Congo is niet alleen "literaire non-fictie" in de marketingbetekenis van het woord, het boek is echt literair." Karel Berkhout vervolgens maakt de rekening op na zes jaar jeugdboeken bespreken ("Een goed kinderboek is een bastion van de kindertijd." Maar de kindertijd is een "voorportaal van de volwassenheid" geworden.) en Arnold Heumakers bespreekt Harry Mulisch' Opspraak. Verslagen van de twintigste eeuw. Hij stelt vast dat Mulisch' Cubaanse standpunt in de context wel begrijpelijk is, en dat zij grootste angst destijds niet het communisme (natuurlijk) of kapitalisme betrof, maar de dreiging. "De techniek gaat kennelijk aan alle politiek voorbij." De boekenbijlage sluit af met een aardig interview met de vaste ramsjpublicisten van de krant, Ewoud Sanders en Henk Lagerwaard. "Er zitten schitterende dingen tussen." En: "Je moet uitkijken met het aanprijzen van boeken waar maar enkele tientallen van in de winkel liggen. Daar hebben die winkeliers vaak meer last van dan plezier, zo hard gaat het soms."

 

Letter & Geest van Trouw was op Oudejaarsdag geheel gewijd aan "Kitsch" en aan de eindejaarslijstjes van de critici. Kitsch komen we tegen bij de besten, Jaap Goedegebuure noemt Couperus, Wolkers, Reve, en stelt dat er op zich niets mis mee is. "Kitsch en kunst moeten nu eenmaal tegen elkaar aanschuren en zand in de raderen laten knarsen. Als het zand in de smeerolie oplost, is er iets mis." Bij Margriet de Moor of Jessica Durlacher bijvoorbeeld. Sofie Messeman analyseert de sterkevrouwenboeken van Marianne Frederiksson en Herbjørg Wassmo. "In alle boeken over sterke vrouwen - lees: vrouwen die gebukt gaan onder een zwaar lot, maar daaraan nooit ten onder gaan - wordt veel en ongegeneerd gepraat over 'vrouwenzaken': menstrueren, zwangerschappen en de eerste huwelijksnacht." Rob van Schouten trekt Goedegebuures beeldenstorm door: (ook) de vroege Leon de Winter, Mulisch ("het draaiende fietswiel in De aanslag"), en de Giphart-epigonen: "Zuiverheid, authenticiteit, afkeer van theater, het zijn de elementen waardoor mening criticus het zeker weet: kunst!" Ger Leppers dan, over E.E. Schmitts Meneer Ibrahim en de bloemen van de Koran: "Wat maakt dit boekje nu tot kitsch? De simpele onschuld." We mogen het toch lezen, je mag je verstand "zo nu en dan rust gunnen". Kitsch heeft een functie, betoogt Leonie Breebaart over Haar naam was Sarah: "Kunnen we deze Holocaust for the millions niet begroeten als een stap in de verbreiding van de nagedachtenis onder een groot publiek?" Lodewijk Dros heeft het nog lastiger met Eten, bidden en beminnen: "Wat verklaart Gilberts succes? Haar humor misschien?" Een beter antwoord krijgt u niet meer. Ten slotte: de lange, lange lijst lijstjes, met de doublures: de romans van Detlev van Heest (Pleun), Julia Blackburn (Wij drieën), Yves Petry (De maagd Marino), Karl Ove Knausgård (Engelen vallen langzaam), Jonathan Franzen (Freedom), Niccolò Ammaniti (Laat het feest beginnen), de jeugdroman van Floortje Zwigtman (Spiegeljongen), de brieven van Bachmann en Celan, Nop Maas' tweede Revedeel en Pieter Hagens Troelstrabiografie.


Een reguliere Volkskrant-boekenbijlage opent met een essay van Olaf Tempelman over de beweegredenen van Oskar Pastior, de oud-dwangarbeider waar Herta Müller haar roman Ademschommel op baseerde, maar die spion bleek te zijn. "Toch was er bij mensen als Pastior [...], geloof ik, meer aan de hand. Zij waren behalve slachtoffers ook producten van een repressieve maatschappij." Edith Koenders geeft vijf sterren aan Herman Frankes postume roman Traag licht: "Hoewel Franke altijd al een begenadigd schrijver was en met vaart en verve het ene fantasierijke verhaal na het andere vertelde, lijkt hij in Traag licht extra op dreef te zijn." En: een groot stuk van Arnon Grunberg over de grote drie. De conclusie: "Als Hermans, Mulisch en Reve geen wrok meer veroorzaken bij de hedendaagse lezer kan dat alleen maar betekenen dat hun beste boeken niet meer gelezen worden."

Verwante berichten
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening