donderdag 07 juni 2007 door Hans Cottyn

In een
eerder DPM-bericht meldden we dat de erven van de Ierse schrijver James Joyce, in casu de beruchte kleinzoon Stephen, en professor Carol Loeb Shloss van de Stanford University hun juridische strijdbijl hadden begraven. Maar ondanks het feit dat er een minnelijke schikking tussen beide partijen was getroffen, heeft een rechter in San Jose nu toch beslist dat de erven Joyce de al gemaakte gerechtskosten dienen te betalen. Een van de argumenten luidt dat Stephen Joyce van bepaalde documenten, zoals medische dossiers van Lucia Joyce, beweert het copyright te bezitten, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Stelde Stephen Joyce een roekeloos geding in? Volgens juristen zou kunnen meegespeeld hebben dat er in de States op
Ulysses opmerkelijk genoeg geen sluitend copyright heerst. Joyces meest gelezen boek was er immers tussen 1922 en 1934 verboden wegens obsceniteiten. De piraatuitgaves die in die tijd zijn verschenen, zitten in een juridisch limbo en worden nog steeds herdrukt. Het
bericht staat te lezen in de
Los Angeles Times en is een interessante bespiegeling over de vaak onterecht bitsige oprispingen van erfhouders van literaire nalatenschappen. [schilderij Barrie Maguire]
Verwante berichten
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening